FDF

Kabinet wil halvering veestapel en boeren, maar houdt Nederland “op slot”!

Wat staat er in de Reflectie op ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ van het PBL dat op 4 september werd gepubliceerd? Onderbouwd het de kamerbrief die van Van Essen op 26 juni 2026 presenteerde?

Of constateert het PBL hetzelfde als wij? Dat de plannen van Jetten1 de vergunningverlening en woningbouw NIET van het slot trekken, natuurherstel NIET kán worden vastgesteld door gebrek aan monitoring en voor boeren slechts de uitgang overblijft…

Ik legde de belangrijkste conclusies van het PBL naast uitlatingen van de Minister van LVVN over de effecten van zijn stikstofplannen, én naast uitspraken van een PBL-woordvoerder, in het NOS-bericht van 3 september.  

Dat leverde onderstaand opinieartikel op. Geen kort verhaal. Maar als je wilt weten hoe je ‘in het pak genaaid wordt’ door deze ministersgroep – en de trawanten die hen bijstaan – én geen zin hebt in die 61 pagina’s Reflectie van PBL, is dit artikel een verkorte versie van bedrieglijke plannen. Niet alleen voor boeren, maar minstens ook voor burgers. Want de rekening wordt een héél hoge!

NOS

Veel Nederlanders vertrouwen voor hun nieuwsgaring, nog altijd op de NOS. Aan Nederlanders, die al op 3 september het bericht:  https://nos.nl/artikel/2629576-stikstofplannen-halen-land-niet-van-het-slot-wel-grote-stap-vooruit lazen, werden de volgende uitspraken gepresenteerd;

  1. “Het pakket maatregelen levert veel winst op voor de natuur en leidt tot forse daling van de stikstofuitstoot. Daardoor wordt vergunningverlening mogelijk makkelijker”.
  2. “Het kabinet had als doel om Nederland van het stikstofslot te halen en heeft een heel ambitieus en omvangrijk pakket aan maatregelen voorgesteld”, zegt PBL-directeur Marko Hekkert. “Daarmee zet het grote stappen richting de oplossing. Het land komt hiermee niet in één keer van het slot, maar wij kunnen ons ook geen pakket voorstellen dat dit wél kan.
  3. Veehouders mogen zelf weten hoe ze aan de nieuwe normen voor hun bedrijf gaan voldoen, maar met simpele, goedkope oplossingen komen veel boeren er niet.
  4. Niet voor alle bedrijven zal het daarom financieel haalbaar zijn om aan de nieuwe eisen te voldoen, voorziet het planbureau. De verwachting is dan ook dat een deel van de veehouders de handdoek in de ring zal gooien. Hekkert schat dat de plannen leiden tot zo’n 30 procent minder koeien in Nederland.
  5. Dat de plannen veel van de boerensector vragen, komt deels doordat de hete aardappel lang is doorgeschoven. Op de vraag hoe het zou zijn geweest als deze plannen vijf of tien jaar eerder waren doorgevoerd, zegt Hekkert “Dat zou een zegen zijn geweest. Veel beleid kwam de afgelopen jaren niet van de grond. Als we eerder waren begonnen, hadden boeren meer tijd gehad om aan de strengere eisen te voldoen.”

Waarom de NOS kiest voor misleiding, nepnieuws of gebrek aan kritische vragen aan de heer Hekkert van PBL, is volstrekt onduidelijk.  Want;

  1. De reflectie van PBL wijst uit dat vergunningverlening nog decennialang niet van de grond komt (pagina 39).
  2. PBL stelt zelfs dat dit binnen de huidige wetgeving onmogelijk is – pagina 17.
  3. De reflectie zegt op pagina 10 dat er nog geen enkele zekerheid is over de eisen waaraan men moet voldoen of over het ontwikkelperspectief in de sector. “Die bredere (ruimtelijke) visie op de toekomst van landbouw en natuur ontbreekt nog in de kabinetsbrief”.
  4. Dat er sprake zal zijn van ‘slechts’ 30 procent minder koeien, blijkt volstrekt NIET uit de reflectie: door o.a. de halvering van ammoniakemissie via fosfaatrechten, lijkt een halvering van de melkveestapel waarschijnlijker. – pagina 10.
  5. En ook de opmerking die NOS optekent over “hoe het zou zijn geweest als maatregelen vijf of tien jaar eerder waren doorgevoerd” met als reactie van de heer Hekkert; “Als we eerder waren begonnen, hadden boeren meer tijd gehad om aan de strengere eisen te voldoen” wordt volstrekt niet door de constateringen in de reflectie onderbouwt. PBL constateert JUIST dat in het verleden veel plannen al niet van de grond kwamen. Tel daarbij op dat onze wetgeving grote gebreken vertoond en de uitspraken die de NOS optekent, als van de heer Hekking, blijken misleidend.

Luie Kamerleden die de reflectie niet hebben gelezen, papagaaien vervolgens in “actualiteitenprogramma’s” de NOS na, en zo leven de leugens voort…

Reflectie PBL

De PBL Reflectie begint als volgt: “In de kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw’ van 26 juni 2026 presenteerde het kabinet-Jetten een maatregelenpakket om de stikstofuitstoot te verlagen en de natuur te herstellen, om zo het verlenen van vergunningen te vergemakkelijken. Het kabinet wil de huidige stikstofdepositiedoelen in de Omgevingswet vervangen voor emissiedoelen: het stelt een reductie voor van 42 tot 46 procent van de ammoniakemissie in de landbouw in 2035 ten opzichte van 2019, (…). Een nadere ecologische onderbouwing voor de hoogte van die emissiedoelen ontbreekt in de brief.”

Mis

Feitelijk gaat het daar al mis: er is geen ecologische onderbouwing voor de emissiedoelen.

Maar waar het nog veel erger misgaat, is het feit dat de minister van LVVN heeft nagelaten opdracht te geven om de verplichte economische- en sociale impactanalyse uit te voeren. Het PBL stelt vast op pagina 10: (…) Hoe die stapeling van onder andere bedrijfsspecifieke emissienormen, eisen aan verouderde stallen en grondgebondenheidsregels, in combinatie met de ondersteuningsbudgetten, zal uitpakken is op basis van deze analyse niet te zeggen en verdient nadere studie naar sociaaleconomische effecten.

Vergunningverlening

Gaat een verlaging van stikstofemissies dan toch in ieder geval de natuur herstellen in dié mate dat vergunningverlening weer op gang komt? Nee hoor. Wat citaten daaromtrent:

Pagina 9: “Het oppervlak stikstofgevoelige natuur waarbij de stikstofneerslag lager is dan de kritische depositiewaarde, neemt toe van 30 procent in 2023 naar 43 procent in 2035. Het depositiedoel in de Omgevingswet, dat het kabinet wil vervangen door emissiedoelen, is hiermee nog niet in zicht: die wet vereist dat in 2030 op minimaal 50 procent en in 2035 op minimaal 74 procent van het oppervlak de stikstofdepositie lager dan de kritische depositiewaarde (..) Tegelijk neemt het aantal stikstofgevoelige gebieden waar in 2035 geen overschrijding van de kritische depositiewaarde meer voorkomt, slechts beperkt toe van 10 naar 14 (van de 120 gebieden die in de kabinetsbrief staan).”

Ook na het uitvoeren van het maatregelenpakket zullen in het overgrote deel van Nederland binnen 25 kilometer delen van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn waar de kritische depositiewaarde (weliswaar minder) wordt overschreden. (…)

Pag. 10: (…) “Niet alle risico’s op achteruitgang van stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden worden weggenomen. De stikstofdepositie blijft hoger dan de niveaus waarop risico’s op verslechtering op voorhand zijn uit te sluiten. (…)

En op Pagina 39 tenslotte: “Uitsluitend geredeneerd op basis van een overschrijding van de KDW zal stikstofdepositie in het overgrote deel van Nederland een drukfactor blijven, met risico’s op verslechtering. Dit impliceert dat het effect van het pakket op vergunningverlening zeer beperkt zal zijn (…).

Conclusie: Het pakket gaat niet zorgen voor “natuurherstel en vergunningverlening”.

Veehouders

Hoe pakt het pakket dan uit voor veehouders? Krijgen zij juridische duidelijkheid (zoals de minister in zijn Kamerbrief stelde)? Rechtszekerheid? Toekomstperspectief? Geborgde ruimte om te innoveren, zodat halvering van de veestapel overbodig zal zijn? Of een generieke korting?

Nee, nee, nee, nee en nee.  

Pagina 10: Het voldoen aan de nieuwe normeringen heeft aanzienlijke (financiële) consequenties voor veehouders. Het zal voor veel gezinsbedrijven het verdienvermogen onder druk zetten en daarmee hun toekomst onzeker maken.

(…) Duidelijk is wel dat de aangekondigde bedrijfsspecifieke emissienorm voor melkvee betekent dat melkveehouders hun ammoniakemissie per fosfaatrecht uit stallen en mestopslagen gemiddeld nagenoeg zullen moeten halveren.

De nieuwe regels vergen forse investeringen die voor een deel van de bedrijven niet zijn op te brengen. De bedrijven die investeren hebben zekerheid nodig over de eisen waaraan ze moeten voldoen en over welk ontwikkelperspectief er in verschillende gebieden is voor de plantaardige en dierlijke landbouwsectoren. Die bredere (ruimtelijke) visie op de toekomst van landbouw en natuur ontbreekt nog in de kabinetsbrief.

(…) Een belangrijk voorbeeld is de invoering van bedrijfsspecifieke emissienormen waaraan veehouderijbedrijven in 2035 moeten voldoen. Een dergelijk stelsel biedt perspectief op emissiereductie en biedt boeren meer mogelijkheden om keuzes te maken die passen in de eigen bedrijfsvoering. Dit stelsel is nu echter nog niet operationeel en er zijn nog veel uitdagingen om het werkbaar, betrouwbaar, uitvoerbaar en afrekenbaar te maken.

Daarnaast bevat het pakket maatregelen die om een reeks van wetswijzigingen vragen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de uitwerking en invoering van een nieuw stelsel rondom grondgebondenheid, en de wijze waarop melkveehouders samenwerkingsverbanden met akkerbouwers kunnen aangaan. Dat is samen een grote operatie, terwijl de afgelopen jaren is gebleken dat de uitvoering van eerder voorgenomen maatregelen vaak niet goed van de grond kwamen of in de praktijk tegenvielen.

(…) Met andere woorden: wat zonering concreet zal betekenen voor boer en natuur is nog onduidelijk.

Pag. 11: Om de hiervoor geschetste effecten op de aangrenzende natuurgebieden te realiseren zal het landbouwkundig gebruik in die gebieden zeer extensief moeten zijn, waardoor het economisch niet realistisch is dat daar altijd een verdienmodel gebaseerd op landbouwproductie haalbaar is. Dat kan inhouden dat in die zones gezocht moet worden naar (combinaties met) andere gebruiksfuncties, zoals recreatie, (kleinschalige) woningbouw, natuur of waterberging.

(…) Met andere woorden: wat zonering concreet zal betekenen voor boer en natuur is nog onduidelijk. Samenwerkende partijen in gebieden kunnen bovendien met eigen gebiedsgerichte aanpakken komen om drukfactoren weg te nemen. Die wens voor maatwerk is begrijpelijk, maar kan wel tot gevolg hebben dat ook emissieregelgeving in zones in Nederland gaat verschillen”. (verschillende wetgeving per regio, mag dat???)  

(…) In de zones – waarin ongeveer 180.000 hectare landbouwgrond ligt, oftewel 10 procent van het landbouwoppervlak – (…)

Pag. 13: De kwantitatieve inschattingen in deze studie moeten daarom nadrukkelijk worden gelezen als ‘orde van grootte’-inschattingen van mogelijke effecten: áls de in de kamerbrief beschreven maatregelen worden uitgewerkt en ingevoerd, dán zijn de in dit rapport beschreven effecten plausibel. Zodra de maatregelen verder zijn uitgewerkt, volgen er nauwkeuriger ramingen in de daartoe ingerichte monitor- en evaluatiestudies (…)

Pag. 17: (…) Om dit pakket te doen slagen is een reeks aan wetswijzigingen nodig.

Pag. 18: Ten eerste is het overal meten van emissies alleen tegen hoge kosten, en soms nog helemaal niet, mogelijk. (…).

(…) Ten tweede komen emissies vrij door natuurlijke processen, waarbij bijvoorbeeld het weer van grote invloed is. Praktijkstudies laten aanzienlijke jaarlijkse emissiefluctuaties op bedrijfsniveau zien, wat betekent dat het voor bedrijven moeilijk is om elk jaar aan de norm te voldoen, en dat mogelijk met meerjarige gemiddelden gewerkt zal moeten worden. (…)

Pag. 19: (…) Zonering: zonder gebiedsgerichte maatregelen in zones, is het halen van de Europese doelen voor natuur niet mogelijk. Zonder maatregelen rondom natuur- en watergebieden kunnen beschermingsdoelen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR), en Kaderrichtlijn Water (KRW)) niet worden bereikt (…).

GVE

En waarom koos het minderheidskabinet voor een grondgebondenheidsnorm van 2,6 gve per hectare? Voorkomt het mestfraude of vereenvoudigt het de mestwetgeving?

Ook daar biedt het PBL meer inzicht in. Weer: nee en nee.

Pag. 19 (…) De gekozen hoogte van de norm van 2,6 gve per hectare wordt in de kabinetsbrief niet nader onderbouwd. Bij de kabinetskeuzes over het ‘Toekomstig mestbeleid’ uit 2021 was het uitgangspunt om de mestproductie in evenwicht te brengen met de (regionale) plaatsingsruimte. Daarmee moest het mestbeleid eenvoudiger worden en moesten prikkels voor overbenutting (meer mest plaatsen dan is toegestaan) weggenomen worden. (…)

(…) De maatregel neemt prikkels voor overbenutting daarmee niet volledig weg en leidt evenmin tot een vereenvoudiging van de mestwetgeving, wat in het voorstel uit 2021 belangrijke doelen waren.

En op pagina 26: “Voor de door het kabinet voorgestelde grondgebondenheidsnorm is aangenomen dat deze niet tot een aanvullende afname van de veestapel leidt, maar er wel toe leidt dat meer melkveebedrijven (…) gebruikmaken van de vrijwillige beëindigingsregelingen”.

Op pagina 26; (…) een krimp van de veestapel niet leidt tot minder mest die op landbouwgrond wordt gebracht en daarmee ook niet tot een vermindering van de emissies die ontstaan bij het uitrijden van mest. (…) Minder dieren leidt daardoor in eerste instantie vooral tot minder verwerking of export van mest.

Krimp, krimp, krimp?

Maar de Minister bezwoer ons toch dat ‘KRIMP VAN DE VEESTAPEL’ niet op het menu stond? Zoals hij ook blijft herhalen dat hij boeren ‘wil helpen’ in plaats van laten stoppen? Dat leest PBL toch anders:

Pag. 20-21: (…) Om onder de sectorale emissieplafonds te blijven, is naast emissiereductie op bedrijfsniveau ook krimp van de veestapel nodig (…) Als de veestapel onvoldoende krimpt, kan een situatie ontstaan waarin alle bedrijven binnen een sector aan hun bedrijfsspecifieke norm voldoen, maar de sector als geheel niet onder het sectorale plafond blijft, waardoor een generieke korting zou moeten volgen.

Het kabinet geeft aan bij de uitwerking te willen bezien of bij een generieke korting rekening kan worden gehouden met koplopers met betrekking tot bedrijfsspecifieke emissienormen. Het lijkt echter niet mogelijk om met de gekozen insteek bedrijven die hun emissienorm hebben gehaald op voorhand de zekerheid te geven dat zij niet alsnog gekort zouden kunnen worden.

Ten tweede zegt het kabinet generieke korting in te willen zetten als het landelijke reductiedoel niet wordt gehaald. Daarbij wil het kabinet deze korting alleen toepassen in sectoren die hun sectorale emissieplafond overschrijden. Er is echter geen garantie dat met het behalen van de sectorale-plafonddoelen ook het landelijke emissiedoel wordt bereikt.

Pag. 22: Hoe die stapeling van bedrijfsspecifieke emissienormen, grondgebondenheid, eisen aan verouderde stallen en regelgeving voor mestaanwending precies op bedrijfsniveau, in combinatie met de ondersteuningsbudgetten, zal uitpakken is op basis van deze analyse niet te zeggen en verdient nadere studie. Indicatieve berekeningen voor deze analyse laten wel zien dat op basis van de geformuleerde bedrijfsspecifieke emissiedoelen melkveehouders hun ammoniakemissie per fosfaatrecht uit stallen en mestopslagen nagenoeg moeten halveren.

En op pagina 25 opnieuw; Indicatieve berekeningen laten zien dat de toegestane ammoniakuitstoot per fosfaatrecht in 2035 (0,164 kg NH3) circa 48 procent lager ligt dan de gemiddelde uitstoot in 2019.”

(…) Het pakket bevat zo, meer dan in het recente verleden, een keuze tussen extra moeten investeren, of anders stoppen.

En op pagina 26 opnieuw: “De verwachting is dat door de maatregelen in het pakket (emissienormen, grondgebondenheid) veel bedrijven uiteindelijk de keuze (moeten) maken om te stoppen”.  (…) Een tweede belangrijke bijdrage aan de emissiereductie komt van een verdere krimp van de veestapel (4e staaf in figuur 3.1)”.

Pag. 23: (…) Zo leiden de maatregelen naar verwachting tot een structuurverandering in de landbouw, zoals een kleinere veestapel, verdere schaalvergroting, en een nieuwe balans op de mestmarkt.

Pag. 25: Eerdere studies (…) stellen dat het mogelijk is voor melkveehouders om aan dergelijke normen te voldoen, maar ook dat dit gepaard gaat met aanzienlijke kosten en (…) stalaanpassingen (…) waarvoor op dit moment maar weinig opties beschikbaar zijn. Belangrijke onzekerheden bij deze maatregel zitten in de vraag of het zal lukken om tijdig een werkbaar, betrouwbaar en handhaafbaar systeem te implementeren (…).”

Pag. 27: De plausibele dreiging van een generieke korting riskeert stilstand”

Pag. 30: “In het basispad daalt de stikstofdepositie gemiddeld in alle Natura 2000-gebieden met ruim 20 procent tussen 2023 en 2035. Door het voorgestelde maatregelenpakket kan deze daling oplopen tot bijna 30 procent. (…) In 2035 geldt dit voor circa 43 procent van het areaal (…). Daarmee blijven de huidige doelen uit de Omgevingswet (74 procent van het areaal stikstofgevoelige natuur onder de KDW in 2035 en 50 procent in 2030) nog buiten bereik.”

Pag. 39: “Uitsluitend geredeneerd op basis van een overschrijding van de KDW zal stikstofdepositie in het overgrote deel van Nederland een drukfactor blijven, met risico’s op verslechtering. Dit impliceert dat het effect van het pakket op vergunningverlening zeer beperkt zal zijn (…) “.

Aanvullende maatregelen

Het blijft niet bij deze maatregelen. Tussen de regels door wordt alvast een opschaling gemaakt naar regelingen die het eigendomsrecht van boeren nog verder aantasten:

Pag. 33: “Door binnen een zone van 500 tot 1.000 meter rondom natuurgebieden de waterhuishouding aan te passen kan de hydrologie binnen natuurgebieden zelf aanzienlijk verbeteren”.

(…) Nadat hier het stikstofoverschot in de bodem actief met gerichte maatregelen wordt afgevoerd kan op de lange termijn (na 2035) stikstof als drukfactor worden weggenomen.

(…) “Voor bepaalde gebieden zullen nog aanvullende maatregelen nodig zijn buiten de zones om in het natuurgebied een optimale grondwaterstand te realiseren (…). Denk aan het beperken van grondwateronttrekking voor drinkwater of beregening op grotere afstand”.

Pag. 34: “Van de 120 Natura 2000- gebieden zal het aantal gebieden waarbinnen geen sprake is van overschrijding slechts toenemen van 10 gebieden in de huidige situatie naar 14 gebieden in 2035”.

En, pagina 46 (voor het geval 2 sectoren dáchten de dans te ontspringen): (…) “Voornemens en beleidsopties die nog niet voldoende waren uitgewerkt of waarvoor in de kamerbrief geen definitieve keuzes worden geschetst, zoals een mogelijke uitbreiding van productierechten naar geiten en vleeskalverhouderij, zijn in de kwantitatieve analyse niet meegenomen”.

Financiering en beheerkosten

Wat het totale pakket aan maatregelen gaat kosten voor de belastingbetaler, is volstrekt onduidelijk. Dat het fors meer gaat kosten dan nu, wel:

Pag. 34: sinds het Programma Natuur bedraagt de vergoeding per 2021, 84 procent van de beheerkosten. Ten tweede zijn de werkelijke beheerkosten sterker gestegen dan de kosten die in de subsidieregeling worden gehanteerd, namelijk met 48 procent (…). Beide tekorten gecombineerd komt een globale schatting daarmee uit op een potentieel tekort van circa 43 procent. Op de lange termijn (decennia) schatten we in dat een dergelijk tekort resulteert in een afname van zo’n 20 procent van de soorten die potentieel duurzaam zouden kunnen voorkomen ten opzichte van wat in figuur 4.1 voor 2035 gepresenteerd is”.  

Pag. 35: Natuuruitbreiding in de zones: (…) “De totale oppervlakte van de zones inclusief de Natura 2000-gebieden is circa 590.000 hectare (zie bijlage 2). Binnen de zones ligt circa 22.000 hectare zoekgebied van het te realiseren NNN. Hier kan ruim 70 procent van de restopgave van het Natuurpact worden gerealiseerd. Het overgrote deel van dat zoekgebied betreft landbouwgrond; hier is mogelijkheid tot synergie met andere maatregelen in de zones zoals de aanpassing van hydrologie en het verminderen van stikstofemissies”.

Pag. 38: “De Europese Natuurherstelverordening (NHV) verplicht Nederland niet alleen om natuur te beschermen maar ook actief te herstellen”. (PBL laat na om te vermelden dat er geen resultaatverplichting is, maar een inspanningsverplichting. Een detail dat wél genoemd had moeten worden).

Gebrek aan landelijk uniform stelsel en betrouwbare data:

Pag. 34: (…) “Zonder monitoring is niet vast te stellen wat natuurmaatregelen in de praktijk opleveren (…)”. En: “Ook worden drukfactoren voor Natura 2000- gebieden vaak niet gemeten, zijn er nauwelijks standaarden voor het verzamelen van data per Natura 2000-gebied en zijn monitoringsdata van soorten vaak ontworpen voor nationale rapportages”.

Vervolgens: (…) “Binnen het Verbeterprogramma VHR-monitoring wordt gewerkt aan een uniform landelijk stelsel dat hierin moet voorzien, maar hieruit voortkomende betrouwbare trends per gebied zullen nog jaren op zich laten wachten”.

Overtreden Richtlijnen en afwijken van eigen definities

Dat “overheid” inmiddels synoniem staat aan “onbetrouwbaar” blijkt opnieuw uit een aantal passages:

Zoals over de Rekenkundige Ondergrens (RKO) op pag. 39: “(…) De VHR vraagt om een (wetenschappelijke) onderbouwing van een dergelijke ondergrens. (…) Ook de huidige Nederlandse rekenkundige ondergrens van 0,005 mol is niet wetenschappelijk onderbouwd”.

Of, op pag. 24: “Het door het kabinet gehanteerde landbouwemissiedoel is gedefinieerd exclusief de emissies van hobbybedrijven en emissies als gevolg van mestafzet op particuliere grond en natuurgrond. Deze definitie van de sector ‘landbouw’ wijkt af van de definitie die de Emissieregistratie hanteert.”

En, pag. 28: “Bij het emissiedoel van het kabinet voor de mobiliteitssector is de uitstoot van de zeevaart op de Noordzee buiten beschouwing gelaten. In de sectorindeling van de Emissieregistratie vallen deze emissies wel onder de sector mobiliteit en dragen zij ongeveer 30 tot 40 procent bij aan de totale stikstofoxidenemissie van die sector.

Komen tot slot op de eindconclusie; leiden al die zware offers van de veehouderij, tot een einde aan het Nederlandse ‘stikstofslot’? Nee.  

Pag. 45: “In alle gevallen zal het onder de huidige wetgeving en het gebruik van die wetgeving niet goed denkbaar zijn dat er breed en zonder beperkingen vergunningen verleend kunnen gaan worden – als in ‘Nederland volledig van het stikstofslot’. Stikstof zal een drukfactor blijven, en zal daarmee binnen de huidige juridische context om soms complexe vergunningverleningstrajecten blijven vragen (…)”.

Over de natuurdoelanalyses: (…)”als we naar de natuurdoelanalyses kijken valt op dat er in algemene zin vaak gesproken wordt over stikstof als bepalende drukfactor, maar dat specificering wanneer er voldoende gereduceerd is ontbreekt.”

Paard van Troje

Wat dit minderheidskabinet met een D66 Landbouwminister heeft gepresenteerd, is een Paard van Troje. Het kabinet speelt in op de dringende behoeftes zoals vergunningverlening en woningbouw bij de bevolking, die de partijen uit het minderheidskabinet, zélf hebben veroorzaakt! Door de eigen bevolking al jarenlang te gijzelen, probeert men foute pakketten door de Kamers te loodsen – onder applaus van het klootjesvolk. Dat is de bedoeling!

Maar dat volk zal ook moeten constateren dat er geen vergunningverlening voor o.a. woningbouw los komt, geen natuurherstel wordt bereikt – men kán het niet eens aantonen!

Wat dit minderheidskabinet de Nederlander probeert te verkopen is een zondebok (de veehouderij) én de noodzaak om alle grond naar de Staat en natuurorganisaties over te hevelen.

En de Nederlander die minder op heeft met haar landbouw, moet zich eens afvragen wat voor geldverslindend ‘beleid’ hij/zij omarmt? Want de Staat én terrein beherende organisaties, vreten uit de Staatsruif. Van jouw belastingcenten. Die centen worden verbrand zonder ook maar één enkel aantoonbaar en meetbaar resultaat.

Wetgeving moet doelmatig en proportioneel zijn. Deze stikstofplannen voldoen daar niet aan.

De PBL Reflectie bewijst dat wij jullie wél eerlijk én compleet hebben voorgelicht.

Dat zou de Staat ook eens moeten doen. Maar die liegt en bedriegt voor een onzichtbare agenda.


Sieta van Keimpema
12 september 2026

Tags: geen tags